Ontstaan van carnaval
Voorafgaand aan de christelijke vastentijd wordt traditiegetrouw dit Katholieke feest gevierd. Het was in eerste instantie een eetfestijn, om reserves op te bouwen voor de komende vastentijd. De naam komt van het Latijnse carne vale, wat afscheid van het vlees betekent. In Nederland duurt carnaval van zondag tot en met dinsdag. De woensdag die volgt heet Aswoensdag, daarna begint de vastenperiode, die 40 dagen duurt. Dit is ter herdenking van de 40 dagen die Jezus Christus in de woestijn vastte. De vastentijd eindigt altijd met
pasen. Daarom is de datum van het carnaval altijd afhankelijk van die van pasen.
Carnavalsuitingen
Een belangrijk deel van carnaval zijn de optochten, met praalwagens die gemaakt zijn door de carnavalsverenigingen. De vaak ludieke wagens hebben veelal een onderwerp uit het (lokale) nieuws. Ook de carnavalsfeesten zijn een zeer belangrijk facet van dit feest. In de cafés en kroegen vormen hier de belangrijkste ingrediënten het bier, de polonaise en de vrolijke carnavalsmuziek. Een minder bekende vorm is het carnavalsbal waarbij de feestgangers aan lange tafels zitten. Op het podium vinden de optredens plaats van dansmariekes en buutteredners of tonpraoters, een soort conferenciers.
Carnaval in Nederland
Enkele uitzonderingen daargelaten is het festijn voornamelijk bezuiden de grote rivieren populair. En dan met name in Limburg (o.a. Maastricht, Venlo, Roermond) en in Noord-Brabant (Eindhoven, Tilburg, Breda). Er zijn twee soorten carnaval dat in Nederland gevierd wordt:
- het Rijnlands carnaval
- het Bourgondisch carnaval
In Limburg wordt de Rijnlandse variant gevierd, in Noord-Brabant (grotendeels) de Bourgondische. Belangrijke verschillen zijn o.a. het gebruik van carnavaleske plaatsnamen bij het Bourgondisch carnaval, dit kent het Rijnlandse niet.